Golftermen – Woordenlijst van A tot Z
Ben je net begonnen met golf en hoor je termen waarvan je denkt: “Wat bedoelen ze eigenlijk?” In deze complete golfwoordenlijst vind je de belangrijkste golftermen en hun betekenis. Handig als je zelf speelt, een wedstrijd volgt of gewoon beter wilt begrijpen waar andere golfers het over hebben.
A – Golftermen met de A
Ace (Hole-in-one)
Een ace is de Amerikaanse term voor een hole-in-one: de bal gaat vanaf de afslagplaats (tee) direct in de hole. Voor veel golfers is dit het ultieme hoogtepunt.
Adresseren
Het aannemen van de juiste houding vóór de slag. Volgens de regels is een bal geadresseerd zodra je voeten staan en de club het gras raakt.
Afslagplaats (Tee box)
De plek waar je een hole begint. Dit is een kortgemaaide of iets verhoogde strook gras, gemarkeerd met tee markers.
Airshot
Een swing waarbij je de bal mist. Dit telt wel als slag volgens de golfregels.
Albatros (Double eagle)
Een score van drie slagen onder par op een hole. Zeer zeldzaam en ook bekend als double eagle.
All square
Een term uit matchplay. Dit betekent dat beide spelers of teams gelijk staan.
Approach
De slag richting de green, meestal vanaf de fairway, met als doel de bal dicht bij de vlag te krijgen.
Apron (Fringe)
Het kortgemaaide gras rondom de green. Dit gedeelte wordt ook wel fringe genoemd.
B – Golftermen met de B
Baan (Golfbaan)
Een verzameling holes waarop gespeeld wordt. Een golfbaan bestaat meestal uit 9 of 18 holes.
Baanpermissie
Toestemming van de golfclub of pro om zonder handicapregistratie de baan op te mogen.
Back nine
De tweede 9 holes van een 18-holesbaan (holes 10–18).
Back tee
De achterste afslagplaats, vaak met witte markers. Dit is meestal de moeilijkste afslagplek.
Backswing
Het naar achter bewegen van de club voordat je de bal slaat.
Backspin
De achterwaartse rotatie van de bal na een slag. Dit zorgt ervoor dat de bal eerder stopt of zelfs terugrolt op de green.
Bag (Golftas)
De draagtas of kar waarin je clubs, ballen, tees en andere spullen meeneemt.
Bal in spel
Een bal is officieel in spel zodra je hem vanaf de afslag hebt geslagen.
Bal verloren (Lost ball)
Als je de bal na maximaal vijf minuten zoeken niet vindt, is deze verloren. Je moet dan een nieuwe bal slaan vanaf de plek van de vorige slag, met een strafslag.
Balmarker
Een klein voorwerp (bijvoorbeeld een muntje of tee) dat je achter de bal plaatst om de positie te markeren, meestal op de green.
Balvlucht
De manier waarop de bal door de lucht vliegt. Voorbeelden: straight (rechtdoor), draw (licht naar links) en fade (licht naar rechts).
Best ball
Een wedstrijdvorm waarbij één speler speelt tegen de beste score van een groep van twee of drie spelers.
Better ball
Wedstrijdvorm waarbij twee spelers per hole ieder hun eigen bal spelen en de beste score telt.
Birdie
Een score van één slag onder par op een hole.
Blade
Een ijzer met klassiek ontwerp, vaak gebruikt door ervaren spelers.
Blind shot
Een slag waarbij je het doel (bijvoorbeeld de green) niet kunt zien.
Blauwe paaltjes (GUR)
Markeren een gebied met Ground Under Repair. Hier krijg je een vrije drop, maar niet dichter bij de hole.
Bogey
Een score van één slag boven par.
Bounce (Bal)
De stuit die de bal maakt bij de landing.
Bounce (Club)
De hoek tussen de onderkant (zool) van de club en de grond. Vooral belangrijk bij wedges.
Break
De kromming van de bal op de green door helling of wind.
Buggy
Een gemotoriseerd golfkarretje voor twee personen en hun golftassen.
Buiten de baan (Out of bounds)
Met witte paaltjes gemarkeerd. Bij een bal buiten de baan moet je opnieuw slaan vanaf de vorige plek met een strafslag.
Bunker
Een met zand gevulde hindernis.
Burried lie
Een bal die diep in het zand of gras ligt.
C – Golftermen met de C
Caddie
Iemand die je tas draagt, je clubs schoonmaakt en vaak advies geeft over de baan of clubkeuze.
Caddie book
Een plattegrond van de baan met afstanden, greenvormen en hellingen.
Camber
De ronding van de zool van de club.
Carry
De afstand die de bal door de lucht aflegt voordat hij de grond raakt.
Cavity back
Een type ijzer met een holte in het clubblad, waardoor de club vergevingsgezinder is.
Center of gravity (Zwaartepunt)
Het zwaartepunt van het clubhoofd. Dit beïnvloedt de hoogte en spin van de balvlucht.
Chip
Een korte slag met lage balvlucht richting de green.
Chipping green
Een oefengebied voor chippen.
Club (Golfclub)
De stok waarmee je slaat. Je mag maximaal 14 clubs meenemen tijdens een ronde.
Club face (Clubblad)
Het vlak van de club dat de bal raakt.
Clubhead speed
De snelheid van het clubblad op het moment van impact. Een hogere snelheid zorgt meestal voor meer afstand.
Clublengte
De lengte van een golfclub. Lange ijzers hebben minder loft en slaan verder dan korte ijzers.
Cross bunker
Een bunker die dwars over de fairway ligt.
Competitor
Een deelnemer aan een golfwedstrijd.
Compressie (Golfbal)
De vervorming van de bal bij impact. Een lagere compressie voelt zachter aan en is vaak beter voor beginners.
Course rating
Een waarde die aangeeft hoe moeilijk een golfbaan is. Samen met de slope rating bepaalt dit je playing handicap.
Cut (halen)
Bij toernooien met vier rondes mogen na twee rondes alleen de beste spelers verder. Dit heet “de cut halen”.
D – Golftermen met de D
Dimple
De putjes in een golfbal. Ze zorgen ervoor dat de bal langer in de lucht blijft en meer spin kan krijgen.
Divot
Het plagje gras dat je soms wegslaat bij een slag. Dit moet je altijd terugleggen en aandrukken.
Distance markers
Markeringen op de baan (bijvoorbeeld 100, 150 en 200 meter) die de afstand tot het midden van de green aangeven.
Door de baan
Alles op de baan behalve afslagplaats, hindernissen en green.
Dogleg
Een hole die een bocht maakt.
Dormie
In matchplay: een speler staat zo ver voor dat de tegenstander alleen nog gelijk kan maken, niet winnen.
Doorzwaai (Follow-through)
Het deel van de swing nadat de bal geraakt is.
Double eagle
Synoniem voor albatros (drie onder par).
Downhill
Een slag waarbij de bal of het doel lager ligt dan je uitgangspositie.
Downswing
Het naar beneden bewegen van de club richting de bal.
Draw
Een balvlucht die bewust van rechts naar links buigt (voor rechtshandige golfers).
Drive
De afslag met een driver vanaf de tee.
Driving range
Oefenterrein waar je ballen kunt slaan vanaf een mat of gras.
Drop
Het laten vallen van de bal vanaf schouderhoogte met gestrekte arm.
Duikboot
Jargon voor een speler die zijn handicap expres hoog houdt om wedstrijden te winnen.
E – Golftermen met de E
Eagle
Een score van twee slagen onder par op een hole.
Eer
De speler met de beste score op de vorige hole mag als eerste afslaan op de volgende.
Etiquette
De ongeschreven gedragsregels in golf, zoals stilte bij de slag en het herstellen van pitchmarks.
F – Golftermen met de F
Fade
Een balvlucht die bewust van links naar rechts buigt (voor rechtshandige golfers).
Fairway
Het kortgemaaide gras tussen de tee en de green. Het hogere gras ernaast heet rough.
Fairway bunker
Een zandhindernis naast of op de fairway.
First nine
De eerste 9 holes van een 18-holesbaan.
Fitting
Het aanpassen van clubs en ballen aan je lengte, techniek en speelstijl.
Flex
De buigzaamheid van de shaft, aangeduid met soft, regular, stiff of extra stiff.
Flight
Een groepje van maximaal vier spelers dat samen een ronde speelt.
Fluff
Een slecht uitgevoerde chip of pitch.
Follow-through
Het deel van de swing na het raken van de bal.
Fore!
Wordt geroepen als er kans is dat een bal iemand kan raken. Hoor je dit, bescherm je hoofd en buk.
Foregreen (Apron/Fringe)
Het kortgemaaide gras rondom de green.
Forged
Productieproces waarbij clubs worden gesmeed uit staal, vaak voor meer gevoel.
Foursome
Wedstrijdvorm waarbij twee spelers samen met één bal spelen en om de beurt slaan.
Free drop
Een drop zonder strafslag, bijvoorbeeld bij Ground Under Repair
G – Golftermen met de G
Game
Een spelvorm of ronde golf.
Gentlemen only, ladies forbidden
Een hardnekkige mythe over de oorsprong van het woord golf. Het klopt niet, maar wordt vaak als grap genoemd.
Giften
Bij matchplay kan een speler een slag of hole “geven”. Dit betekent dat de tegenstander de slag niet meer hoeft te spelen.
Golfbaan
Het terrein waarop golf wordt gespeeld, meestal bestaande uit 9 of 18 holes.
Golfcart
Gemotoriseerd karretje om spelers en hun tassen te vervoeren. Wordt ook buggy genoemd.
Golfetiquette
De gedragsregels in golf. Denk aan stilte houden bij slagen, divots terugleggen en pitchmarks herstellen.
Golfregels
Het officiële reglement dat wereldwijd wordt gevolgd, opgesteld door de R&A en USGA.
Green
Het kortgemaaide gras rondom de hole, speciaal geschikt om te putten.
Greenfee
Het bedrag dat je betaalt om op een baan te mogen spelen als gast.
Greenkeeper
De persoon die verantwoordelijk is voor het onderhoud van de golfbaan.
Greensome
Wedstrijdvorm voor twee spelers: beide slaan af, daarna wordt de beste bal gekozen en slaan ze om de beurt verder.
Grip
Het bovenste deel van de club waar je de club vasthoudt. Het woord wordt ook gebruikt voor de manier waarop je de club vastpakt.
Grounding the club
Het neerzetten van de club op de grond achter de bal.
Ground under repair (GUR)
Een gebied in de baan dat in onderhoud is. Je mag hier gratis ontwijken met een vrije drop.
H – Golftermen met de H
Handicap
Een cijfer dat aangeeft hoe goed een golfer speelt. Hoe lager de handicap, hoe beter de speler.
Handicap stroke
De extra slagen die je krijgt op een hole op basis van je handicap.
Hazard (Hindernis)
Een natuurlijke of kunstmatige hindernis, zoals water of een bunker.
Head
Het clubhoofd, het deel dat de bal raakt.
Heel
Het binnenste deel van het clubblad, dicht bij de shaft.
Hole
Het uiteindelijke doel van een hole: een ronde opening van 10,8 cm in diameter, gemarkeerd met een vlag.
Hole-in-one (Ace)
Wanneer je de bal vanaf de afslagplaats direct in de hole slaat.
Hook
Een balvlucht die sterk van rechts naar links buigt (voor rechtshandige golfers).
Hosel
Het deel van de club waar de shaft in het clubhoofd bevestigd is.
Hout (Wood)
Club met een groot, rond clubhoofd. Wordt vooral gebruikt voor lange slagen.
I – Golftermen met de I
Impact
Het moment waarop de club de bal raakt.
In de baan
Alles binnen de baan, behalve gebieden die met witte paaltjes als “out of bounds” zijn gemarkeerd.
Inside-out swing
Een swing waarbij de club van binnen naar buiten door de bal beweegt, vaak resulterend in een draw.
Interlocking grip
Een grip waarbij de pink van de rechterhand en de wijsvinger van de linkerhand in elkaar haken.
Iron (Ijzer)
Clubs met een vlak clubblad, genummerd van 1 tot en met 9, plus wedges.
J – Golftermen met de J
Jigger
Een oud type ijzer, vergelijkbaar met de huidige pitching wedge.
Jungle
Jargon voor zeer hoog gras of struikgewas naast de baan.
K – Golftermen met de K
Klassieke baan
Een traditionele baanindeling met 9 holes heen en 9 holes terug.
Knock-down shot
Een gecontroleerde lage slag, vaak gebruikt bij harde wind.
Korte spel
Alle slagen rondom de green: chips, pitches en putts.
Kuiltje (Hole)
Synoniem voor hole.
L – Golftermen met de L
Lag putt
Een lange putt die vooral bedoeld is om de bal dichtbij de hole te krijgen, niet per se erin.
Ladies tee
De afslagplaats voor dames, vaak aangegeven met rode markers.
Lake balls
Golfballen die uit vijvers zijn opgedoken en opnieuw verkocht worden.
Lay up
Bewust een kortere slag spelen om gevaar te vermijden (bijvoorbeeld water of een bunker).
Left-handed golfer (Linkshandige golfer)
Een speler die met de linkerkant naar de hole staat en linkshandig afslaat.
Lie
De ligging van de bal in het gras of zand.
Line
De denkbeeldige lijn tussen de bal en de hole, vooral belangrijk bij putten.
Links course
Een golfbaan langs de kust, meestal met duinen, weinig bomen en veel wind.
Lob shot
Een hoge slag met een wedge, bedoeld om de bal snel te laten stoppen.
Loft
De schuine stand van het clubblad. Hoe meer loft, hoe hoger de balvlucht.
Long game
Alle lange slagen: drives, fairway woods en lange ijzers.
Lost ball (Verloren bal)
Een bal die niet binnen 5 minuten gevonden wordt. Je moet dan opnieuw slaan vanaf de vorige plek, met een strafslag.
Low handicapper
Een golfer met een lage handicap (bijvoorbeeld onder 10).
M – Golftermen met de M
Marker
Een klein voorwerp, vaak een muntje, dat je gebruikt om de positie van je bal op de green aan te geven.
Matchplay
Wedstrijdvorm waarbij spelers hole tegen hole spelen. Wie de meeste holes wint, wint de wedstrijd.
Medal play (Strokeplay)
Wedstrijdvorm waarbij het totaal aantal slagen over de ronde telt. De speler met de minste slagen wint.
Mulligan
Een informele “herkansing” waarbij je een slechte afslag opnieuw mag doen. Niet officieel toegestaan volgens de golfregels.
Marker (Scoremarker)
De persoon die je score bijhoudt tijdens een wedstrijd.
Masters
Een van de vier grote majors in golf, gespeeld in Augusta, VS.
Match score
De stand tijdens een matchplaywedstrijd, bijvoorbeeld “2 up” of “all square”.
N – Golftermen met de N
Nearest to the pin
Wedstrijdvorm op par-3 holes waarbij de winnaar degene is die met de afslag het dichtst bij de hole komt.
Nine holes
Een ronde van 9 holes, vaak de helft van een standaardbaan.
Nassau
Wedstrijdvorm waarbij drie wedstrijden tegelijk worden gespeeld: de eerste negen, de tweede negen en de totale 18 holes.
O – Golftermen met de O
Obstacle (Hindernis)
Elke natuurlijke of kunstmatige hindernis in de baan, zoals bomen, water of bunkers.
Out of bounds (OB)
Gebied buiten de baan, gemarkeerd met witte paaltjes of lijnen. Een bal die hier belandt, levert een strafslag op en je moet vanaf de vorige plek opnieuw slaan.
Open stance
Een houding waarbij de voeten iets open staan ten opzichte van de doelrichting, vaak gebruikt bij bunkerslagen.
Over clubbing
Wanneer je een club gebruikt die te veel afstand geeft, waardoor je over de green heen slaat.
Over par
Een score boven het aantal slagen dat voor een hole of ronde staat aangegeven.
P – Golftermen met de P
Par
Het aantal slagen dat een goede golfer gemiddeld nodig heeft om een hole te spelen.
Pitch
Een korte, hoge slag richting de green, meestal met een wedge.
Pitchfork
Een vorkje waarmee je pitchmarks (putdeukjes) op de green herstelt.
Pin (Flagstick)
De vlaggenstok in de hole.
Putt
Een slag op de green waarbij je de bal met een putter richting de hole rolt.
Provisional ball
Een “voorlopige bal” die je speelt als je vermoedt dat je originele bal verloren of out of bounds is.
Practice swing
Een oefenswing waarbij je geen bal raakt.
Preferred lies
Een lokale regel waarbij je de bal mag plaatsen binnen een bepaalde afstand (meestal op de fairway).
Q – Golftermen met de Q
Qualifying score
Een score die meetelt voor het aanpassen van je handicap.
Q-school (Qualifying School)
Het kwalificatietoernooi voor spelers die een tourkaart willen bemachtigen.
R – Golftermen met de R
Rough
Het hoger gras naast de fairway. Hieruit is het moeilijker spelen.
Round
Een volledige ronde golf, meestal 18 holes.
Rule book
Het officiële regelboek van golf, uitgegeven door de R&A en USGA.
Range (Driving range)
Oefenterrein waar je ballen kunt slaan om je swing te trainen.
Ready golf
Speelwijze waarbij degene die klaarstaat mag slaan, ongeacht wie officieel aan de beurt is. Dit versnelt het spel.
Relief
Vrijstelling van een moeilijke ligging, bijvoorbeeld bij een paadje, GUR of obstakel. Vaak krijg je een vrije drop.
Rake
Een hark die je gebruikt om bunkers glad te maken nadat je eruit hebt gespeeld.
Rules official
Een scheidsrechter of official die toeziet op de naleving van de golfregels.
S – Golftermen met de S
Sand save
Wanneer je vanuit een bunker in één slag de bal op de green legt en vervolgens uitholet in par.
Sand wedge
Een wedge die speciaal is ontworpen voor bunkerslagen.
Scorekaart
Kaart waarop je je slagen per hole bijhoudt.
Scramble
Wedstrijdvorm waarbij elk teamlid afslaat, waarna de beste bal wordt gekozen. Vanaf daar speelt het team verder.
Semi-rough
Het iets hogere gras naast de fairway, korter dan de rough maar langer dan de fairway.
Shotgun start
Wedstrijdvorm waarbij alle spelers tegelijk starten op verschillende holes.
Slice
Een balvlucht die sterk van links naar rechts afbuigt (voor rechtshandige golfers).
Slope rating
Cijfer dat aangeeft hoe moeilijk een baan is voor een gemiddelde golfer.
Stableford
Puntensysteem waarbij je punten krijgt afhankelijk van het aantal slagen ten opzichte van par.
Strokeplay
Wedstrijdvorm waarbij het totaal aantal slagen telt.
T – Golftermen met de T
Tee
Een klein houten of plastic pinnetje waarop je de bal plaatst bij de afslag.
Tee box (Afslagplaats)
De gemarkeerde plek waar je de hole begint.
Texas scramble
Variant van de scramble waarbij iedereen een bepaald aantal drives moet gebruiken.
Three-putt
Wanneer je drie keer moet putten om de bal in de hole te krijgen.
Through the green
Verouderde term die alles in de baan aanduidde, behalve de green, bunkers en hindernissen.
Toppen
Wanneer je de bal te hoog raakt, waardoor hij laag en vaak ongecontroleerd wegrolt.
Tour
Professionele golfcircuit, zoals de PGA Tour of DP World Tour.
U – Golftermen met de U
Unplayable lie
Situatie waarin je bal wel gevonden is, maar zo slecht ligt dat je hem niet kunt spelen. Je mag de bal droppen met een strafslag.
Up and down
Wanneer je vanuit buiten de green in twee slagen uitholet (chip + putt).
Utility club (Hybrid)
Club die eigenschappen van een hout en een ijzer combineert. Handig voor lange, maar controleerbare slagen.
V – Golftermen met de V
Vlucht (Ball flight)
De baan die de bal door de lucht maakt.
Voordeelregel
De regel dat je mag doorspelen of een vrije drop krijgt als je gehinderd wordt door een kunstmatig object.
Voor caddie
Een persoon die vooruit loopt om de ballen van spelers terug te vinden.
Voorwaartse swing
Het deel van de swing vanaf de top tot het moment van impact.
W – Golftermen met de W
Waterhindernis
Elke vijver, sloot of rivier die onderdeel uitmaakt van de baan en met gele of rode paaltjes gemarkeerd is.
Wedge
Club met veel loft, bedoeld voor korte, hoge slagen.
Wintergreen
Een tijdelijke green die gebruikt wordt in de winter om de echte greens te beschermen.
Wood (Hout)
Clubs met een groot clubhoofd, ontworpen voor lange slagen. Tegenwoordig vaak van metaal gemaakt.
Y – Golftermen met de Y
Yardage
De afstand, meestal in yards aangegeven, tot een bepaald punt op de baan.
Yips
Plotselinge, onvrijwillige schokjes tijdens het putten die het moeilijk maken om de bal goed te raken.
Z – Golftermen met de Z
Zandbaan
Een baan die voornamelijk bestaat uit zandgrond en vaak weinig gras heeft.
Zebra putter
Een type putter met een opvallend zwart-wit design.
Zes-om-de-beste
Wedstrijdvorm waarbij steeds het beste resultaat van de flight telt.
Zwaai (Swing)
De volledige beweging die je maakt om de bal te slaan.
Zweef (Hang time)
De tijd dat de bal in de lucht blijft.